Transcript podcast “Ik ben geboren als vrouw, maar soms heb ik jongensdagen”

Iris: ik ga niet aan iedereen die ik voorbij kom die dag vertellen ik ben vandaag Mitch of ik ben vandaag jongen of ik voel mij vandaag anders. Dat voelt ook niet fijn. Als ik niet veel naar buiten hoef dan is er niet zoveel aan de hand. Maar in het openbaar is het toch wel lastig af en toe en zeker als je niet alle tools voor handen hebt, zoals bijvoorbeeld een muts om mijn haar weg te stoppen, dat ik dan ergens mijzelf moet voorstellen, Mitch zeg en dat ik dan een gek gezicht terugkrijg van maar jij ziet er heel vrouwelijk uit? Dus waarom heb je dan zo’n naam? Dat klopt niet.

Angelique: Aan het woord is Iris Oldenzeel. Zij is genderfluïde: er zijn dagen waarop ze ze zich vrouwelijk voelt – dan gebruikt ze haar geboortenaam. Er zijn ook dagen waarop ze zich meer mannelijk voelt en dan noemt ze zichzelf Mitch. Op de dag van het interview wil ze aangesproken worden met Iris.

Dit is ‘Komt een mens bij de dokter’. En ik ben Angelique Houtveen. In deze podcast horen we verhalen uit de spreekkamer. Intieme, ontroerende en opzienbarende verhalen. Van mensen die lang niet altijd de hulp krijgen die ze nodig hebben.

Iris is 21 jaar en woont nog bij haar ouders, in een Gronings dorpje. Ze houdt van tekenen, muziek maken en zingen. Ze werkt als model en heeft een bijbaantje in een callcenter. Genderfluïde is nog een relatief onbekend begrip. En dát zorgt voor onbegrip.

Iris: Genderfluïde is een term voor een persoon die zich niet altijd identificeert met zijn of haar geboortegeslacht. Ik ben geboren als vrouw en heb soms echt duidelijk jongensdagen voor mezelf en dat draag ik dan ook uit. Losse kleren, mijn haar ergens onder een muts, een hoed. Maar het kan ook zijn dat, ja, dat ik mij een beetje neutraal voel. Er een beetje tussenin dat kan ook. Dat hoort er ook bij. Voor mij in elk geval.

Voor mij is het heel erg dat ik problemen heb met hoe ik eruit zie als ik een jongensdag heb en dat hoeft dan dus niet meteen transgender te betekenen, want bij zo’n persoon is dat een permanent gevoel. Ze voelen zich niet meer, ja, als dat al is geweest, comfortabel met hun geboortegeslacht. Ze hebben voor zichzelf de keuze gemaakt. Het inzicht gehad dat het andere geslacht daar toch beter bijpast. Dat is voor een genderfluerend persoon heel anders. Tenminste zoals ik het ervaar. Ik heb niet permanent het gevoel dat ik mij niet comfortabel voel in mijn lichaam, mijn geboortegeslacht.

Maar in principe, ik ben nog steeds ik en of ik nou een meisjesdag of een jongensdag, ik blijf hetzelfde.

Angelique: Als puber voelt Iris dat er iets niet klopt. De verwarring die haar spiegelbeeld kan oproepen, die bij vlagen omslaat in afkeer. Het gevoel komt op en ebt weg. Wat is er met haar aan de hand?

Op haar zestiende treft ze online de term genderfluïde en ze denkt: dat past bij mij. Voor haar geeft de naam Mitch duidelijkheid. Zo kan ze voor zichzelf en voor de buitenwereld benoemen hoe ze zich die dag voelt. “Vandaag ben ik Mitch,” zegt ze tegen haar ouders als ze ‘s ochtends beneden komt.

Iris: Mijn ouders hebben geprobeerd om daar in mee te gaan. Ze zijn heel open en heel accepterend daarin. Alleen is het voor hun heel erg lastig om de ene dag mij als hun dochter aan te spreken, eigenlijk zoals het altijd gaat en dat er dan een dag tussendoor komt waarin ze mij anders moeten gaan noemen. Dat blijkt toch te lastig. Daar heb ik op zich wel vrede mee.

Bij vrienden doe ik het wel. Bij vrienden geef ik het wel aan van jongens, vandaag even Mitch als het kan. Ook “als het kan”, omdat ik weet dat ze mij gewoon kennen als Iris en dat het er wel eens uit kan floepen. Hey, Iris. O, kut. Dat ze dan moeten zeggen van o, sorry. Ze zich er dan heel schuldig over voelen. Ik dek het altijd meteen in, want ik weet dat het heel lastig is en alleen al dat ze het proberen is gewoon heel fijn.

Angelique: Iris heeft nu, op haar 21ste, vrienden die haar accepteren zoals ze is. Voor wie LHBTI+ er gewoon bijhoort: homo, lesbisch, bi, transgender, intersekse. En wat onder de ‘plus’ valt, zoals: genderfluïde.

Ze heeft een lange weg afgelegd om hier te komen. Tijdens haar jeugd is ze eenzaam. Altijd alleen. Gepest. Dat begint al in groep 2. En dat gaat door tot in 4 Havo. Als ze in een andere klas komt, hoopt ze op een frisse start.

Iris: Ik had eigenlijk altijd hoop gehad dat het wel over zou gaan. Mijn normaal was eigenlijk niet normaal, maar ik moest het normale creëren om erbij te horen en om mee te kunnen lopen. Hoe hard ik mijn best daar ook voor deed het werkte niet, het lukte niet, het bleef maar aanhouden. Er zaten een aantal meiden in de klas die al bij mij in de klas hadden gezeten, een paar jaar daarvoor ook. Die deden ook niks. Die zeiden ook niks. Terwijl als wij alleen waren dan hadden wij gewoon goede gesprekken, dan konden we met elkaar lachen. Maar puntje bij paaltje stonden ze niet voor mij op. Kon ik niet op ze rekenen en ja, als je op een gegeven moment dat inzicht hebt en het gebeurt al zo lang en het blijft maar en het blijft maar, bij mij knapte er iets. Ik had zoiets van nou ik heb helemaal geen vertrouwen meer hier in. Ik wil het nog wel een keer proberen met echte hulp, maar anders dan, ja, dan zie ik het gewoon echt niet meer zitten. Ik probeerde het gewoon al heel erg lang. Eigenlijk al zolang als ik mij kan herinneren. Altijd geprobeerd om mij toch maar aan te passen zodat ik erbij hoorde. En ja, er waren twee jongens die hadden de pik op mij en de rest leek dat een beetje te merken.

Die twee jongens, op een gegeven moment zaten ze in een les voor mij en begonnen aan mijn tafel te rammelen en mijn tas te pakken, dingen eruit te pakken, constant treiteren en kijken tot hoever ze konden gaan. Mijn leraar stond er met zijn neus bovenop en deed niks, zei niks, dus toen knapte er iets. Toen meteen gevraagd of ik naar de counselor mocht. Ik schreeuwde het eigenlijk bijna door de klas heen, omdat er iets binnenin mij gewoon helemaal klaar was met alles wat er daarvoor ook allemaal gebeurd was. Toen ben ik naar de counselor gegaan en toen heb ik heb gewoon hulp geëist eigenlijk. Zo van als het nu niet, als er nu niet hulp komt om het op te lossen dan ga ik het zelf doen want ik trek dit niet langer.

Op een gegeven moment had ik zoiets van als ik alles van mezelf achterwege moet laten. Wat voor leven heb ik dan? Daar komt niks leuks uit, niks. Dat is gewoon geen leven meer. Iedereen leek allemaal leuke levens te hebben en te kunnen lachen en plezier te kunnen hebben en zich daar niet voor in te hoeven houden. Dan kom ik met mijn hoge emoties en mijn flapperende armen af en toe en mijn gespring en mijn gestuiter. Hoi, ik ben niet zoals jullie. Mag ik erbij?

Ja, ik was eigenlijk gewoon van plan om voor de trein te springen. Ja, dat heeft me, het heeft me zo lang al niks gedaan, maar het doet me wel iets kan ik, ja, merk ik wel, ja.

Angelique: Anders zijn, niet voldoen aan de heersende norm, maakt fundamenteel eenzaam. Iris zit opgesloten in zichzelf. Haar ouders weten dat ze wordt gepest. Maar niet dat hun dochter zo wanhopig is dat ze er een einde aan wil maken.

Iris is op dat moment 15 jaar. De school neemt het probleem serieus. Ze wordt meteen doorgestuurd naar de schoolarts. Ondanks wachtlijsten kan ze, gezien de ernst van de situatie, vrijwel direct terecht bij een psycholoog. Zij stelt de diagnose Post Traumatisch Stresssyndroom. En: Autisme Spectrum Stoornis. Een jarenlange, intensieve therapie volgt. Iris vertrouwt de psycholoog toe dat ze genderfluïde is.

Iris: Ja, ik voelde me daar dusdanig comfortabel dat ik mij daar wel, dat ik daar wel over durfde te beginnen. Wat ook gewoon goed is, want je moet je bij, zeker bij zorgverleners gewoon comfortabel kunnen voelen om vrij te spreken over wat dan ook. Dus daar ben ik wel blij mee dat ik gewoon wel iemand had waarbij ik dat gevoel had.

Zeker in het begin toen ik over mijn genderidentiteit ging nadenken had ik daar best wel een soort haatreactie op. Dat komt dan ook voort uit nou ja, van allerlei andere problemen die ik had op dat moment. Dan kwam dat er ook nog weer bij. Als je daar constant mee bezig bent en er dan achterkomt dat het niet per se normaal is, dan ga je daar toch een soort en zeker als je jong bent, daar toch een beetje een soort haatneiging naar maken, want ja, heb je weer het zoveelste ding wat al niet klopt of wat dan niet goed is. Waarom kan ik niet gewoon alleen meisje zijn?

Daar heb ik het wel met haar over gehad, met mijn psychologe. Wat is dit? Waarom ik? Waarom? Dat speelde over de tijd wel minder, omdat ik er ook met haar, maar zeker zelf gewoon achterkwam dit hoort erbij en dit is normaal. Hier hoef je je niet voor te schamen. Hier hoef je je niet negatief over te denken. Als je daarachter komt dat jij jij bent en dat aspect bij jou hoort en dat het jou alleen maar meer jou maakt, dan valt er een last van je schouders af. Het is gewoon heel positief, heel fijn gevoel als je daar een soort eureka-moment in hebt.

Angelique: Iris heeft veel baat bij de therapie. Op haar achttiende valt ze officieel niet meer onder de jeugdhulpverlening. Ze mag toch nog een paar maanden blijven omdat ze moeite houdt met het genderfluïde zijn.

Iris: Het was nog steeds niet helemaal oké in mijn hoofd. Nou ja, dan wordt het warm, maar die muts die heb je wel nodig om je haar dan weg te stoppen. Waarom moet ik nou weer? Ik die al zoveel moeite heeft, moet dan ook nog met dit warme weer al een soort, ja, verdwaalde Eskimo of zo, dan toch die muts dan weer op. Die blikken die je dan krijgt: ‘Waarom loopt die gast in hemelsnaam met die muts met 25 graden buiten?’ ‘Waarom, wat ben jij aan het doen?’ ‘Spoor jij wel?’

Wat voor mij normaal was, was eigenlijk nooit het normale in de ogen van een ander. Dus ik had op een gegeven moment wel echt zoiets van kan ik wel normaal zijn? Is daar een programma voor bij mij geïnstalleerd of moet dat nog? Is dat ergens zoek geraakt of zo?

Angelique: Haar therapie is afgerond. Inmiddels durft Iris te zeggen dat ze zichzelf heeft geaccepteerd. Het verlangen om erbij te horen, niet af te wijken van de heersende norm, is gebleven. Daar is ze eerlijk over.

Iris: Ik heb zo lang niet bij iets gehoord. Ik wil dat wel. Ik ben er klaar mee om niet ergens bij te horen. Ik wil in elk geval ergens bij horen. Toch een soort normaal label te hebben. Dus, ja, ergens is dan een moment dat ik dacht van ik wil dit niet meer. Ik ben er klaar mee om overal maar rond te zweven. Dat was toch wel een, ja, een mentale struggle.

Angelique: Het is de reden dat ze haar haar lang laat groeien. Ze is moe van de blikken op straat. De vragen die ze krijgt. De verantwoording die ze telkens weer moet afleggen. Het is dubbel: ze haat hokjes én ze houdt van hokjes.

Iris: Dan liep ik gewoon ergens langs met mijn vriend en dan hoorde ik twee kindjes was dat nou een meisje of een jongetje? Naar elkaar. Dat is, aan de ene kant vond ik dat heel grappig en heel schattig. Aan de andere kant gaat dat dan toch ergens in mijn hoofd blijft dat zitten en gaat het een beetje woelen van is dit wat iedereen denkt op het moment dat ze mij zien? Misschien is dit toch niet zo fijn, want ik pas nu in geen enkel hokje schijnbaar. Dan krijgen we toch weer dat hokjesgevoel. Op een gegeven moment had ik voor mijzelf de doorslag gemaakt van nou dan gaan we het maar lang laten groeien. Dat geeft dan toch ergens weer die rust voor mij. Dat ik dan toch weer die zekerheid heb dat ik weer ergens in een hokje geplaatst kan worden. Zolang ze nog bestaan, vind ik ze stiekem toch wel fijn en knus en gezellig om erin te zitten.

Angelique: Haar vriend kent ze nu 2,5 jaar. Ze is happy met hem. Eerder had ze een relatie met een meisje. Ze beschouwt zichzelf als panseksueel: ze valt niet op een bepaald geslacht, maar op een persoon. Dat sluit mooi aan bij genderfluïde.

Het gaat relatief goed met Iris. De coronatijd is mentaal niet makkelijk, maar ze blijft overeind. Haar puberteit ligt achter zich, ze is volwassen aan het worden. Voor iemand van begin twintig heeft ze verrassend veel zelfkennis. Ze weet wie ze is en waar ze in wil groeien. Hoe ziet Iris zichzelf in de toekomst?

Iris: Wat ik in elk geval wil op dat moment is dat ik mij compleet comfortabel voel met alles en dat ik de labels aan mijn laars lap. Dat ik denk van het maakt mij niet uit wat de wereld van mij denkt, maar ik ben ik en die labels kunnen mij een zorg zijn. Het boeit mij echt niet. Daar heb ik nu alleen nog niet het zelfvertrouwen voor om dat volledig uit te dragen. Dus ik hoop dat ik over een aantal jaar dat ik dat wel heb. Dat ik bij wijze van mijn kop kaal scheer om extreem maar te zeggen van de wereld kan mij echt, kan mijn rug op.

Ja, ik hoop dat ik over een aantal jaar die zelfstandigheid nog meer heb ontwikkeld en dat ik die vooroordelen die mensen automatisch maken dat ik daar niet meer over na hoef te denken. Dat ik gewoon puur mezelf kan zijn.

Angelique: Dit was het verhaal van Iris. Zij voelde zich tijdens haar therapie vrij – en veilig – om over seksualiteit en haar ‘genderfluïde zijn’ te praten.

Helaas zijn de ervaringen van LHBTI+ jongeren met de hulpverlening lang niet altijd positief. Wat is belangrijk in de behandeling van LHBTI+-jongeren? Wat kan er beter?

Eva van den Broek heeft daar een goed antwoord op. Zij is als psycholoog en seksuoloog in opleiding werkzaam bij de Jeugd Geestelijke Gezondheidszorg. Ze behandelt adolescenten in de leeftijd van vijftien tot vierentwintig jaar. Eva is 32 jaar en heeft veel ervaring met LHBTI+ jongeren.

Eva: Wat ik zie bij de LHBTI-jongeren is dat ze vaak kampen met klachten zoals: eenzaamheid en daarop voort komt vaak depressie of angsten. Ook wel meer verslavingsproblematiek, middelenmisbruik, maar vooral eigenlijk somberheidsklachten. Het gevoel van eenzaam zijn. In de kast zitten daar niet uit kunnen komen, een geheim moeten meedragen. Dat is het voornaamste wat ik zie.

Angelique: Anders zijn dan de rest. Niet voldoen aan de maatschappelijke norm. Je almaar aanpassen, in de hoop erbij te horen. Iris worstelde daarmee.

En dat geldt voor veel van Eva’s cliënten.

Eva: Dat is absoluut niet vol te houden als je je constant moet aanpassen aan de maatschappelijke norm en je voelt je anders dan die norm. Helaas hè dat je nog het gevoel hebt dat je dan anders bent als je niet heteroseksueel bent, maar dat kost enorm veel energie en enorm veel aanpassing en dat slaat natuurlijk op je stemming omdat je het idee hebt anders te zijn, terwijl het natuurlijk helemaal niet zo is. Je ziet vaak zelfhaat of in elk geval negatief zelfbeeld. Dat komt veel voor van: waarom moet ik zo zijn, waarom voel ik me anders. En daarin kan je natuurlijk heel erg met jezelf in een isolement raken en dat je daar enorm in vast komt te zitten.

Angelique: Deze jongeren hebben twee keer zo vaak emotionele problemen en gedragsproblemen. Onder lesbische, homo en biseksuele jongeren komen zelfmoordpogingen bijna 5 keer vaker voor dan onder hetero jongeren. Ze komen vaak bij Eva met complexe problematiek.

Eva: We zien zeker hoge percentages depressie, ook hoge percentages angst, meer verslavingsproblematiek, meer obesitas ook en dus veel meer middelenmisbruik ook. En ook eerder onveilige seks onder homoseksuele jongeren. Het is vaker ongepland en het is ook vaker met onbekenden. Dus daarin zitten ook meerdere gevaarlijke kanten aan.

Angelique: Eva ziet dat langzaamaan meer genderfluïde jongeren zich melden bij de jeugdhulpverlening. En ze merkt dat het onderwerp leeft onder jongeren.

Eva: Je ziet sowieso onder de meiden dat zij veel vaker zeggen dat ze biseksueel zijn bijvoorbeeld, of dat daar in elk geval veel meer openheid over is. En je hoort ook veel meer termen zoals: genderfluïde of non-binair. En ik merk dat ik en onze collega’s dat we daarin altijd extra huiswerk moeten doen om te kijken: wat speelt er nu op dit moment allemaal. En dat dat voor de jongere generatie veel meer al in hun leven verweven is.

Angelique: Veel therapeuten vinden dat seksualiteit een privéaangelegenheid is en beginnen er niet zelf over. Waardoor ook het onderwerp genderidentiteit blijft liggen. Eva stelt dat het onderwerp seksualiteit altíjd aan bod moet komen.

Eva: Wat er vaak misgaat is dat therapeuten helemaal niet vragen naar seksualiteit. Dus als je kijkt naar onderzoeken, daarin geven therapeuten aan dat ze bij vijftig procent van de therapiesessies niet vragen naar de seksualiteit. En als je dat vraagt aan de jongeren zelf, die geven een veel hoger percentage aan. Zelfs éénenzeventig procent. Dus dat is gewoon megaveel.  Moet je je voorstellen dat je je eenzaam voelt of in de kast zit, niet goed in je vel zit of vragen hebt over je geaardheid of hoe werkt het nou voor jou; en je bent in therapie en je bent daardoor bijvoorbeeld somber of angstig en je therapeut vraagt daar niet naar, dan heb je gelijk het idee van: oh het is dus blijkbaar iets wat niet bespreekbaar kan worden gemaakt, wat ook opnieuw weer die eenzaamheid triggert en waardoor die jongeren zelf ook vaak niet durven te zeggen wat er aan de hand is.

Het is echt onze taak van psychologen of hulpverleners om altijd seksualiteit bespreekbaar te maken. En dat betekent niet dat je er heel veel sessies altijd aan hoeft te wijden, want dat hangt helemaal af van de problematiek, maar wel dat jongeren of cliënten het idee hebben dat ze het er altijd over mogen hebben. Veel therapeuten vinden dat er te veel taboe ligt en durven daardoor seksualiteit vaak niet bespreekbaar te maken. En het heeft vaak heel erg te maken met eigen gêne of eigen spanning en ze denken dan van: nou ja die jongeren komt er zelf wel mee als die ergens tegenaan loopt. En in de praktijk werkt dat gewoon helemaal niet zo.

Angelique: Als een therapeut zwijgt over seksualiteit en gender identiteit krijgt de jongere impliciet de boodschap: het is een taboe. Iets om te verbergen. En die boodschap kríjgen jongeren al zo vaak van hun omgeving. Veel van hen hebben ouders die hun geaardheid niet accepteren, worden gepest…

Eva: Ik vind wel als je er over zwijgt dat je impliciet een boodschap meegeeft van: dit is iets wat hier niet besproken kan worden. Ongeacht zeg maar of dat op die manier bedoeld is, maar ik vind juist dat we als therapeuten wij moeten die taboes doorbreken en altijd open zijn en vragen stellen over moeilijke onderwerpen, want daarvoor zitten die mensen bij ons op de bank of in de kamer.

Seksualiteit hoort gewoon bij een gezonde ontwikkeling. Seksualiteit is onderdeel van je gezondheid. Dus op het moment dat je in therapie bent, is er iets aan de hand waardoor je je meestal niet goed voelt hè, dus er gaat iets mis. En seksualiteit is daar zo’n belangrijk onderdeel van, dus daarin moet je er altijd naar vragen want psychiatrie en seksualiteit zijn gewoon heel erg gelieerd aan elkaar. Op het moment dat je psychische klachten hebt, heeft dat invloed op je seksualiteit, op je seksuele klachten. Bijvoorbeeld depressieve mensen die ervaren verminderde zin in seks ook op het moment dat je depressief bent en je slikt antidepressiva, kan je er ook weer klachten van krijgen. Dus het werkt alle kanten op en daarin moeten we het ook normaliseren naar onze jongeren en onze cliënten toe dat het dus belangrijk is dat wij weten dat het speelt. Dat stelt hun ook weer gerust.

Psycho-educatie is hierin het allerbelangrijkste. Dat neemt al heel veel spanning en taboe weg voor onze jongeren. Wij moeten hen daarin ook gerust kunnen stellen.

Angelique: Onder psycho-educatie verstaat Eva: uitleg geven over een bepaalde aandoening of klacht: hoe die is ontstaan en wat er aan gedaan kan worden. Voor collega’s die moeite hebben met het onderwerp seksualiteit heeft Eva helder advies: oefenen.

Eva: En probeer dat dan eerst te oefenen met collega’s of met andere hulpverleners. En dan op het moment dat je het bespreekbaar gaat maken met een jongere of met een cliënt of volwassene, dat maakt natuurlijk helemaal niet uit en je voelt bij jezelf dat die spanning toeneemt, dan kan je ook gewoon aangeven: ja het is soms een beetje een ingewikkeld onderwerp of ik kan het zelf soms ook wel spannend vinden of ik weet niet of het bij jou spanning oproept, dus benoem wat je voelt, dat neemt gelijk al heel veel spanning weg.

Kijk voor ons therapeuten betekent ook niet dat alle onderwerpen altijd even gemakkelijk zijn om bespreekbaar te maken. Wij nemen ook onze eigen gevoelens mee en onze eigen bagage en ervaringen, us daarin zijn voor ons bepaalde onderwerpen moeilijker of minder moeilijk. En op het moment dat je zoiets voelt kan je dat ook uitleggen aan die jongeren. Zolang je maar transparant bent in wat er met jezelf gebeurt of wat het bijvoorbeeld bij jezelf oproept, dat neemt al zoveel lading weg, waardoor die jongeren ook begrijpen wat er aan de hand is. Op het moment dat er wederzijds begrip is neemt vaak die spanning af en kan je het gesprek over het onderwerp voeren en blijf je niet hangen in die spanning.

Hoe ik meestal kennismaak met een jongere is… nou dat ik in het eerste of tweede gesprek vraag of diegene wel eens verliefd is geweest en of diegene bijvoorbeeld weet of die op jongens of op meiden valt of beide, of dat die daar nog niet uit is, of dat het per situatie verschillend is. Dus doordat je gewoon heel erg open op een nieuwsgierige manier erin gaat en zegt: ‘nou vertel er eens wat over en hoe werkt dat voor jou en op wat voor manier ben je er mee bezig. Ben je er helemaal niet mee bezig, is het moeilijk voor je of helemaal niet? Heb je er vragen over, loop je tegen dingen aan’? Door gewoon op zo’n hele luchtige manier het gesprek erover aan te gaan, roept dat vaak ook weinig spanning op.

Angelique: Als behandelaar hoef je niet alles te weten. En daar kun je gewoon eerlijk over zijn tegen jongeren. Een open, nieuwsgierige houding is volgens Eva belangrijk.

Eva: Op het moment dat ik iets niet weet, vraag ik ook aan die jongeren: goh kan je me daar iets meer over vertellen. Ik heb er nog niet zoveel kennis over, of vind je het prettiger dat ik er eerst zelf wat onderzoek over doe. wil je me er nu iets over vertellen of vind je het fijner om er in het volgend gesprek op terug te komen. Jongeren hebben heel erg goed door als ik dingen verzin of niet weet of me anders ga gedragen. Daardoor gaan ze ook denken van: hé er is iets anders aan de hand of zij reageert daarop anders. Dus ik probeer gewoon altijd open en transparant te zijn op het moment dat ik iets niet weet. En dat vinden jongeren vaak heel erg leuk, want daarmee maak je het ook interactief, want vaak hebben jongeren toch wat het idee van: oh dan kom ik bij een psycholoog en dan gaat zij mij wel vertellen hoe ik in elkaar zit of hoe dat allemaal werkt. Nee zo werkt het niet! We gaan samen onderzoeken waar die jongere tegenaan loopt en hoe dat voor diegene werkt, want iedere jongere is anders. En samen proberen we daar dan uit te komen of daarnaar te kijken of een oplossing te vinden, of dingen op een andere manier te benaderen.

Angelique: Eva heeft een relatie met een vrouw. Zij is van mening dat lesbische, homo- of biseksuele zorgverleners hun geaardheid in kunnen zetten tijdens de therapie. Dat helpt om een veilig klimaat te creëren.

Eva: Ik denk dat het zeker in het werk met jongeren belangrijk is om iets van jezelf te laten zien. Dat geeft vaak heel erg veel vertrouwen. Ik heb met een aantal jongeren ook verteld dat ik een relatie heb met een vrouw en daarin zie je gelijk dat het bij hun een soort van opluchting of erkenning geeft van: oh misschien kan zij mij dan nog meer begrijpen, op een andere manier begrijpen. Ja waardoor je ook wel weer een heel ander contact hebt.

Angelique: Iris praatte uit zichzelf met haar psycholoog over haar seksuele oriëntatie en genderidentiteit, maar dat geldt lang niet voor alle jongeren. De worsteling met hun genderidentiteit komt vaak tijdens therapie niet aan de oppervlakte. Ze krijgen de diagnose Autisme Spectrum Stoornis of Borderline Persoonlijkheidsstoornis. Daar ligt de focus op. Zo blijft een belangrijk deel van hun problematiek onbehandeld.

Eva: Ik denk dat het allerbelangrijkste is dat je kijkt naar de persoon en niet naar de diagnose. We weten dat met de diagnose autismespectrum stoornis, dat die mensen die die diagnose hebben ook vaker homo- of biseksueel zijn, maar het is altijd goed om te kijken naar de persoon en niet de stoornis. dus daarin in gesprek te gaan met diegene: hoe werkt het voor jou, waar loop je dan precies tegenaan en in hoeverre is dat gelieerd aan jouw autisme en in hoeverre kan het gelieerd zijn aan eventuele problemen die je ondervindt vanwege je geaardheid.

Angelique: Vraag door als therapeut, is Eva’s boodschap. Stel zo specifiek mogelijke vragen. Genderfluïde jongeren hebben baat bij een open benadering.

Eva: Ik zou in ieder geval vragen hoe het voor die persoon zelf is. Hè want je kan wel zeggen at je genderfluïde bent, maar dat is voor ieder persoon ook weer anders Dus daarin is het ook weer belangrijk om niet alleen naar de term of naar de titel of naar die woordkeuze te kijken, maar naar de mens erachter en te kijken hoe dat voor diegene werkt. En ook hoe die ermee omgaat, want dat is ook weer voor iedereen anders.

Angelique: Tijdens haar opleiding tot GZ-psycholoog werd er geen enkele aandacht besteed aan het onderwerp seksualiteit. Eva is er nog verontwaardigd over. Geen wonder dat veel psychologen het een ingewikkeld onderwerp vinden!  En dat ze niet weten hoe ze genderidentiteit ter sprake moeten brengen. Ze is niet voor niets aan de studie seksuologie begonnen: ze wilde er meer over weten, zich verder specialiseren. Eva heeft een missie:

Eva: Ik denk eigenlijk dat mijn belangrijkste boodschap is voor iedere behandelaar: maak het onderwerp seksualiteit altijd bespreekbaar! En weet waarom het zo enorm belangrijk is. Wij moeten hierin een voorbeeld zijn voor onze jongeren en onze gezinnen.

Angelique: Je hoorde Eva van den Broek en daarvoor hoorde je het verhaal van Iris Oldenzeel. Meer weten over deze podcast? Kijk dan op www.komteenmensbijdedokter.nl.

Je vindt hier uitgebreide informatie. Over hoe je de zorg krijgt die je nodig hebt. Deze podcast is een initiatief van de Alliantie Gezondheidszorg op Maat. Mijn naam is Angelique Houtveen.

Ga terug naar de homepage